Spring naar inhoud

Kutgitaar #2.1: Marina Tadic

april 14, 2014

Marina-1 Marina-2 Marina-3

Kutgitaar #2.1: Wout Waanders

april 13, 2014

DE OPVOERING

ik sloeg

het theater stuk
op
mijn computer
op
mijn computer
had ik toentertijd
nog veel
theaterstukken
opgeslagen
maar nu
kan dat
dus niet meer

 

HARD BOSSA

jasper speelt hard bossa
ik zet de kamerplant in de gang
er is een pakketje bezorgd waar kralen in lijken te zitten
je kan dingen horen rollen hier
jaspers vingers over de piano
mensen die buiten zeggen,
dingen zeggen. ik die typografische experimentjes uitvoer
%(;;; Gg. Gg. ;;;
marieke die op het toetsenbordje van haar samsung ramt
wat losse weersvoorspellingen en flitsermeldingen op het middagnieuws

saskia die sms’t of ik seks wil vanavond,
en ik die alleen maar ‘nee’ terug-sms,
niet dat ze een beetje naar poep ruikt

hard bossa HARD BOSSA
jasper zegt vaak dingen als
het maakt allemaal zo insane weinig uit
en ik schil vaak kruimige aardappelen

zo heb ik ‘t het liefst:
geen chaos, geen orde. geen gedoe:
weinig zeggen, en alles wat je in principe uitprobeert,
voor je houden. al je typografische experimentjes,
en je robotvliegtuigjes|voor je houden

maar misschien soms iets naar een tijdschrift sturen,
dat kan toch geen kwaad?

jawel
dat kan wel kwaad. &_”..”..”..”

en
jaspers
vingers
over
de
piano

Kutgitaar #2.1: Ilse Schaminée

april 12, 2014

The ugly one

Mijn ouders hadden eens een vriend. Of meer een kennis. Ze noemden hem the ugly one.
Mijn vader kende hem uit de kroeg. Café Goffertzicht, van voor de tijd dat de tent verpauperde tot hooligan stamkroeg. In de tijd dat er nog schrijvers kwamen, filosofen en types als the ugly one.
The ugly one was evenals mijn vader, onderdeel van het zaalvoetbalteam van café Goffertzicht.

Na een van de avonden zoals zovelen, ergens in het holst van de nacht, de lege flessen op tafel en een krant die laf door de bus viel, had mijn opa met zijn vuist op tafel geslagen en zichzelf tot coach van zaalvoetbalteam Goffertzicht benoemd. Een team dat nog niet bestond.
Mijn vader, zittend aan diezelfde tafel, werd benoemd tot aanvoerder. Meest waarschijnlijk omdat hij het met de dochter van mijn opa deed. Maar misschien ook omdat hij vaak sprak over zijn voetbalverleden bij de Nijmegen Eendracht Combinatie, waar hij door hartfalen nipt was afgekeurd voor de selectie.
Het verhaal gaat dat mijn opa die ochtend van blijdschap op de tonen van “al mot ik kruupe” kruipend het café heeft verlaten. Aangemoedigd door een deel van de kersverse selectie van het elftal “Goffertzicht”.

Later, toen een deel van de stamgasten het voorval van “de nacht van het elftal” alweer vergeten was, kwam mijn opa aanzetten met tenues. Rode shirts met in witte letters “Goffertzicht” op de voorkant. Voor mijn vader zat er een rood-wit-blauwe aanvoerdersband bij.
Uiteraard werd er vanaf die dag getraind op de Goffertweide. Aadje die eens een handtastelijke man van de barkruk had geslagen en daarmee het respect van de kroeggangers won, stond op doel. In het veld renden de mannen waaronder mijn vader en the ugly one onder luid gefluit en wilde gebaren van mijn opa, achter de bal aan. De trainingen eindigden steevast in Goffertzicht waar de tactieken tot diep in de nacht doorgesproken werden.

Niet lang daarna kopte de plaatselijke krant “vriendenelftal probeert zaalvoetbal, en direct kampioen”. De beker, die even hoog was als mijn broer destijds, prijkte in de prijzenkast boven de bar van Goffertzicht. Barman Ed, die het elftal financieel gesponsord had, wees er trots naar terwijl hij zijn gasten een borrel inschonk.
De avond van de overwinning eindigde diep in de ochtend. Wat overbleef waren de lege pullen op de stamtafel en een asbak vol uitgedrukte peuken van mijn opa.

Soms werd er bij ons thuis nog gesproken over de overwinning. Mijn vader vertelde over zijn een-tweetje met the ugly one dat tot de winnende goal geleid had.
In het hoofd van mij en mijn broer had het uiterlijk van the ugly one bizarre vormen aangenomen. Wilde haren, een tandeloze mond, vuile handen en een pokdalige kop.
We spraken over hem onder de dekens waarbij we de onderkant van ons hoofd met een zaklamp verlichtten. De u van ‘ugly’ lieten we dan extra lang klinken op een voor ons spookachtige manier.

De dag dat the ugly one bij ons aanbelde staat mij nog helder voor de geest. Het was op een ochtend in het weekend, jaren na de gewonnen bekerfinale van het elftal. Ik weet niet wat hij kwam doen. Ik weet alleen dat ik de gang stond en dat mijn vader opendeed en daarna de deur op een kier liet staan. Ik vroeg hem wie er voor de deur stond, hij fluisterde: “The ugly one”.
Mijn hart sloeg over. Ik schreeuwde direct naar boven tegen mijn broer: “The ugly one staat voor de deur!” Waarop mijn moeder siste naar mij. Ik holde de trap op waar mijn broer op zijn kamer al met zijn neus tegen het raam geplakt zat. We zagen hoe mijn vader iets overhandigde aan een man met heel veel oranje krullen en daarna hoorde we beneden de deur dichtvallen. Even bleef de man staan en hief zijn hoofd omhoog, naar ons. Ik en mijn broer doken weg, onder de dekens. Eigenlijk hebben we hem niet gezien. Niet goed. Maar ik weet nog wel dat ik onder de dekens tegen mijn broer fluisterde dat hij helemaal niet zo lelijk was, waarop mijn broer sprak over vermomming.

Op de foto aan de wand van het toilet staat het Elftal Goffertzicht. De beker in het midden vooraan op de grond. Mijn opa kijkt heel serieus. Naast hem een lachende jongeman met een wilde bos oranje krullen.
Het bowlingteam dat mijn opa daarna oprichtte werd geen succes. Misschien omdat mijn vader niet meedeed, net als the ugly one. Bowlen is ook geen voetbal. Het miste de magie. En dan daarbij:ß het moment was weg.

Kutgitaar #2.1: Marc Robbemond

april 11, 2014

MICKEY

Tegen alle verwachtingen in
springt het flatgebouw van jou af

Mickey Mouse die zichzelf ophangt
geprint op een t-shirt

wat wil je op je t-shirt?

‘de schaduw van Mickey Mouse
die zichzelf ophangt
op m’n t-shirt’.

METAAL

Ik heb een metalen hart
en het verbergt niets.
Ik heb een geluid.
Mijn zwarte stoflongen hoesten
het geluid van kanker.
Dat is hier het geluid van liefde.
Mijn metalen longen
hoesten kanker over de stad uit.

FRONT

Dit front bestaat al lang,
ik ben er nu pas.
Afgereisd naar een oorlog.

Krijg je mijn brieven?
Nee, ik schrijf ze niet,
ze zijn verzonnen.
Ik heb tegen je gelogen.

De lucht vol straaljagers
waar ik onder sta.

Kutgitaar #2.1: Willem Sjoerd van Vliet

april 10, 2014

WS-mijn moeders plafond

Kutgitaar #2.1: Daan WIndhorst (Estafetteverhaal)

april 9, 2014

Naast de rubriek ‘een voorwerp (op je bureau?) dat betekenis heeft in jouw schrijverspraktijk’ waarmee deze Kutgitaar begint, lanceren we in deze nieuwe serie een andere rubriek, en wel de volgende: het in vier delen exponentieel groeiende estafetteverhaal. Dat vraagt om een korte uitleg. Zie hieronder een schema om het een en ander te illustreren. In deze uitgave bijt Daan Windhorst het spits af (x). Voor de volgende Kutgitaar (2) nodigen we twee schrijvers uit om een vervolg te schrijven op het begin van Daan (deel a en b). Op de twee fragmenten die daaruit ontstaan zullen vier schrijvers een vervolg schrijven, (deel c,d,e,f). En het einde zal acht versies kennen (g,h,i,j,k,l,m ) Volgt u het nog?

Schermafbeelding 2014-04-04 om 12.26.36

Het was omdat de WiFi was uitgevallen in De Kameleon dat Geurt de kelderkast in moest. Daar, op een scheef plankje, tussen een pot blauwe verf en een kapotte vaas, stond het modem van het biercafé.

Plots was het een moment van verbroedering geworden: een man met een rode neus keek op van zijn laptop en mompelde tegen Geurt ‘ik heb geen internet meer’. Een mevrouw met opgetekende wenkbrauwen en een iPad riep uit ‘inderdaad!’ Een tweeling die Geurt wel vaker in het café zag – de één met een Blackberry, de ander met een iPhone – meldde dat ook bij hen het internet het niet meer deed.

Iedereen in de kroeg lachte naar elkaar en zei ‘grappig he? Dat we daar zo afhankelijk van zijn.’ Daarna eisten ze van Geurt dat hij het oploste.

De Kameleon zat in een eeuwenoud pand op een markt in het centrum van de stad en had veel nisjes en kiertjes, waar door de vorige eigenaar – toen heette de kroeg nog ‘Rambo’ – kasten van had gemaakt. Er waren meer kasten dan er kastruimte nodig was. Het was daarom dat Geurt normaliter niet in deze kast kwam.

Het modem was op een klein rood boekje gezet. Er waren dagen waarop Geurt zoiets niet op was gevallen – aan het eind van een lange werkdag, als het regende – en er waren ook dagen waarop Geurt ongelooflijk nieuwsgierig was naar zo’n boekje. Vandaag was het was zonnig.

Dat dit rode boekje later Geurts leven zou verpesten kon niemand weten.

In een zwierig handschrift stond op de eerste pagina van het rode boekje geschreven ‘Van Daisy’. Daaronder stond ‘afblijven, klootzak’.

Geurt krabde met zijn hand door de rode krullen van zijn baard vroeg zich af of dit dé Daisy was. Daisy Konings. Het was de enige Daisy die hij gekend had, maar dat was jaren geleden, toen ze allebei achttien waren geweest. Zij had hem meegenomen naar Oost-Duitsland in haar brakke Toyota. Een cassettebandje van Joy Division in de autoradio. Vrienden van haar ouders waren daar brandweerman. Ze hadden geen rooie cent, die brandweermannen, maar wisten hoe ze een feestje moesten bouwen.

Op de terugweg had ze hem voor het eerst gezoend. Love.

Love
will
tear
us
apart.

Again.

De kroeggasten werden ongeduldig, er stond niemand achter de bar, maar Geurt, die inmiddels in de bezemkast op een emmer was gaan zitten, sloeg de bladzijde in het rode boekje om. Een foto, overgesatureerd zoals goedkope fotocamera’s dat in de jaren negentig deden, van twee lange vrouwenbenen in rubberen regenlaarzen. De foto leek gemaakt in een huiskamer. Op de achtergrond zag je iemand op de grond liggen. Een emotieloos vrouwengezicht, schattig rond, met kort zwart haar. Onscherp.

Geurt herkende het gezicht niet. Op de volgende pagina was een kaart geplakt, van een onbekende stad. Onbekende straatnamen. Rukolaweg. Duivezandsteeg. Valiumplein. Eén van de straatnamen was met rode pen weggekrast. Eigenlijk wilde Geurt nog verder bladeren, maar het geluid van pianoklanken dat van boven klonk leidde hem af. Er stond een bordje op de piano ‘niet op spelen zonder toestemming.’

De piano was vals en Geurt hield niet van vals. Gewoonlijk waren het dronken studenten – meestal eerstejaars – die een nummer van Tom Waits of Guus Meeuwis wilden spelen om indruk te maken op een meisje. De vrouw die nu op de piano speelde was veel ouder. Geurt kende haar niet. Ze was ten minste in de zestig en had een grote bos pikzwarte krullen. Een van haar brilglazen was afgeplakt. Ze speelde iets klassieks. Chopin? Eigenlijk wist Geurt niets van klassiek. Ze reageerde niet op zijn verzoek.

‘Mevrouw? Hallo? Mevrouw’

‘Zou u daar mee willen stoppen?’

Ze negeerde hem, begon te zingen op de muziek die ze speelde:

‘Geurt Evenwel, Geurt Evenwel, nog iets nog iets berenvel. Geurt Evenwel, Geurt Evenwel, draagt het liefst een berenvel.’

‘Mevrouw. Bijzonder amusant, maar ik moet u vragen – ‘

‘Geurt Evenwel, Geurt Evenwel, soms dan is het leven snel. Geurt Evenwel- ‘

Hij besloot de klep van de piano dicht te gooien. Zij haalde net op tijd haar handen van de toetsen en pakte zijn pols vast.

‘Dat had mij mijn vingers kunnen kosten.’

‘U had ook gewoon kunnen stoppen met spelen.’

‘Dat wilde ik niet.’

‘Ja. Nou. Ik vind dit een gek gesprek, mevrouw.’

‘Ik kom voor het rode boekje, meneer Evenwel. Heeft u dat nog?’

Kutgitaar #2.1: Geert Simonis

april 8, 2014

een pleidooi voor het milde leven

ze nam vier maal deel
aan de olympische spelen
ze verloor haar lief in de diaspora

de grootste flessen herbergen
het goedkoopste vocht
maar als ze er niet voor betaalt
kost het haar ook niets

vandaag heeft ze
een zakmes meegebracht
en een hart te ziek
om de sprekende klok te verbeteren

ze hakt knopen door
over de elfstentocht
en schoolt daarna
een hele kudde schapen om
tot een veel te gele sjaal

maar als je er niet voor betaalt
kost het je ook niets

maaltijdseks

ik stuur haar een ansichtkaart
van mijn voetbal en mijn voetbaltenue
ik vertrouw haar elke dag een beetje minder

ze smeert haar voegen toe met botox
en kalkt pijlen op het gewelf
enkel zo geraak je hier weg

ze heeft zin in het nagerecht van de duivel
warme appeltaart met tabasco
in plaats van kaneel
het staat niet op de kaart

ik bak haar dan maar eieren met champagne
het galgenmaal van de ongeduldige

Kutgitaar #2.1: Jolijn Ceelen

april 7, 2014

Jolijn_kutgitaar

Jolijn_kutgitaar2

Jolijn_kutgitaar3

Kutgitaar #2.1: Gerjon Gijsbers

april 6, 2014

Anemoon

‘Wat wil je op je boterham?’ vraagt mijn moeder als ik de keuken binnenkom.
‘Kipfilet, chocoladevlokken en oxazepam,’ mompel ik. Ik krab aan mijn voorhoofd en probeer mijn ogen open te houden.
‘Spreek eens wat duidelijker,’ zegt ze. ‘Goedemorgen trouwens.’
‘Goedemorgen,’ laat ik het opgewekt klinken, ‘doe mij maar twee witte met kaas.’
Ik wil mijn plek aan tafel opzoeken, maar de weg wordt geblokkeerd door mijn vader, die net een gekookt ei laat schrikken onder de koude kraan van het aanrecht. Het ei is kapot gekookt. Het eiwit gulpt als schuimpapier door de gebroken schaal naar buiten. Ik word er misselijk van. Ze koken hun eieren altijd kapot. Ze gebruiken nooit een zandloper. Ze doen alles op de gok.
‘Goedemorgen, nachtbraker,’ zegt mijn vader. Hij heeft zijn kunstgebit al in. Natuurlijk, voor het ontbijt. Ik knik en zeg: ‘Goedemorgen, schoonheid.’
‘Dus je hebt vannacht weer flink lopen rondspoken?’ vraagt hij.
Hij heeft de kraan al gesloten en legt het ei op zijn bord. Dan loopt hij naar de koelkast, neemt er een pak karnemelk uit en klapt de deur weer dicht.
‘Waarom moet het dan altijd zo laat worden?’ vraagt mijn moeder.
Ze heeft de boterhammen met kaas gesmeerd.
‘Erbij zijn is meemaken,’ zeg ik.
‘Wil je ook karnemelk?’ vraagt mijn vader.
‘Ik ben bijna dertig. Ik heb nog nooit karnemelk gedronken.’
Ik zou ze van alles willen vertellen. Gewoon van alles. Over frisbeeën met vinylsingletjes. Over dansen op een plastic strand. Over melancholie en over Madelieve en de meikevers. Over mijn veertig dagen in de woestijn en een concert van Queens of the Stone Age waar ik niet bij was, maar dat ik toch heb meegemaakt. Over de nachten op het balkon boven een tankstation. In de winter en in de zomer. Over de stoeptegels beneden, zo strak omlijnd dat mijn omgeving geanimeerd lijkt. Mijn handen op de reling. ‘I’m the king of the woooorld!’ Altijd diezelfde verleiding om erover heen te stappen en te springen. Stijgen naar de bodem van de ziel. Kijken hoe de schedel barst en zich openvouwt als de bladeren van een bloedrode anemoon. Ik zag nooit een oceaan. Niet zo een als deze. ‘Don’t let go of my hand. We’re gonna make it, Rose.’ Over de nagels die nog steeds als kippenvel over mijn huid kruipen. Over andere dingen die in een panty blijven haken. Mijn gedachten, bijvoorbeeld. Over de keuze om niet te springen. Het zou altijd verkeerd uitgelegd worden. Zelfdestructie blijft een zonde. Het wordt nooit aan de grimmigheid van het geluk geweten. De overdosis dopamine die plotseling vrij kan komen, op een moment – een nanoseconde – waarin de werkelijkheid zich samenbalt. Over die werkelijkheid en die ondraaglijke spanning.
Ik kan niet praten. De geluiden uit de keuken dringen te diep naar binnen. Alsof mijn nerven bloot liggen, als van een half verteerd blad. De herfst is nog niet eens begonnen. Het mes dat boter over de crackers schraapt. Het gerinkel van de lepeltjes in de veel te dunne theeglazen. De glazen waarvan ik vrees dat ze breken als ik er naar kijk. De stoel die ik over het zeil naar achteren schuif. Het malen van de kiezen in mijn mond. De knarsende tanden in mijn kop.

‘Misschien even bidden voor je begint,’ zegt mijn moeder.
Ik vouw mijn handen, prevel: ‘Por favor, de no sacar los manos’, en sla een kruisje.
Mijn vader schenkt karnemelk in mijn glas. Ik voel hoe mijn gezicht warm wordt. Hoe een druppel over mijn lippen naar beneden loopt, langs de kin, tot hij onderaan heel even blijft hangen en zich op het sneeuwwitte ontbijtbordje laat vallen. Ik kijk naar mijn vader. Mijn vader kijkt naar mij. Ik doe maar net alsof mijn neus niet bloedt. Zonder deze mensen was ik nergens.

Kutgitaar #2.1: Dennis Gaens

april 5, 2014

AGK

Dan is het zomer en het enige wat die van ons vraagt is dat we naar buiten blijven gaan. Ook al is er niks op straat dat nog niet op TV was of in de laatste paar maanden viral is gegaan.

In het park gebral bij gemiste passes: mannen die duidelijk iets kwijt zijn, maar volharden, want er is niks anders. In de jeugdklasse een veld verderop klinkt het op de rand van een besluit gehuild ‘ik speel niet meer mee’.

Meisjes van veertien die voor het eerst echt worden bekeken en het weten. Jongens die sneller groeien dan ze met eten kunnen bijbenen. Elk paar tieten zijn eigen satellieten. Overal puisten: we zijn buiten.

En je weet dat ze denken: de wereld ligt open.
Wat je doet: voor je kijken, doorlopen.

Ik weet nog hoe dat was met jou en mij: wij kenden die gasten in Gent en een meisje uit Parijs. Liepen rond alsof niemand ons iets kon maken, alsof alles was zoals zoals wij waren. Dat waren de maanden.

We dronken liters Lambrusco en rookten zonder einde. Jij liet de rook voor je mond hangen, inhaleerde dan door je tanden. En man wat kon jij praten. Nu zijn er dagen dat we zeggen dat we het onder controle hebben, ‘s nachts in bed denken:

Het is te laat ons te redden.
Er zou geen einde aan komen.
Nu is het voor je kijken, doorlopen.

Dan is het zomer en van alles wordt softijs het hardst getroffen door entropie. Alleen dan – zand in onze schoenen, zout op onze huid – verliezen we dingen, zoals elkaar. Het meisje uit Parijs is er ook bij. We kunnen niet anders.

Wat je breekt moet je kopen.
Voor je kijken, doorlopen.

En ondanks alles, is het een fantastische dag om naar het strand te gaan.
Deze wereld zal ons overleven.