Skip to content

Kutgitaar #2.1: Rijnder Kamerbeek

april 15, 2014

Bram

Tussen huisnummer negenentwintig en eenendertig ligt een strook loze ruimte. Zo een die stedenbouwkundigen liever niet zien, maar er gaat wel eens iets mis. De strook is ongeveer anderhalve meter breed en acht meter lang. Aan beide zijden een rij huizen alsof ze aan twee kanten van de straat waren begonnen met bouwen, netjes zij aan zij, maar eenmaal in het midden van de straat aangekomen bleek dat ze anderhalve meter overhielden. Ineens was er een doodlopende spleet met niks. “Laat maar zo,” zei iemand. En dat gebeurde.

Ik herinner me nog dat ik het als kind ontdekte en er de paar jaar daarna nauwelijks weg was te slaan. Een stukje zwarte aarde waar niemand interesse in had. De wanden van de aangrenzende huizen waren raamloos, er scheen nooit zon en buurtbewoners hadden over het algemeen nauwelijks de neiging door doodlopende steegjes te lopen. Heerlijk was die stilte. Ik moet een jaar of acht zijn geweest. Een wereld die gedomineerd werd door dinosauriërs en knikkerbanen. Ik begroef stiekem de houten botten van een speelgoed Dimetrodon om ze de volgende dag heel voorzichtig met een schepje en een kwast weer uit de aarde te lichten. Later liep die hobby uit de hand. Na een groot scala aan dode vogels en ongedierte verdween zelfs de aangereden kat van de buren onder de grond als archeologisch project. Als ik toen had mogen kiezen was ik zeker archeoloog geworden, of taartenbakker.

Vijfentwintig jaar later ben ik nog eens bij die steeg geweest. En sindsdien vraag ik me af hoe daar iemand heeft kunnen overlijden. Er was een kleine heuvel ontstaan met een grafzerk erachter. “Bram”, stond erop. Van een levensbedreigende situatie was nog steeds geen sprake. Ik zag alleen maar aarde en onkruid. Een strook onbruikbare zwarte grond waar geen mens wat mee kon. Misschien was er tijdens harde nachtvorst een slapende zwerver omgekomen. Of een beginnende inbreker die van het dak was gevallen. Misschien een locale huisvader vermomd als zwarte piet tijdens een sinterklaasviering. December, gladde daken, een zak cadeau’s op zijn rug en hop; een val van drie verdiepingen, via een van de blinde muren. Knak. Een nek is zo gebroken.

Het is raar dat ik van het voorval niets wist. Ik woon nog steeds in de buurt en zou het van iemand gehoord kunnen hebben. Of in ieder geval gelezen in een regionaal blaadje, maar niets. Het is waarschijnlijk een bekende uit de buurt geweest, anders hadden ze hem nooit hier in de steeg begraven. Ik weet nog dat me dat mateloos irriteerde toen ik daar na vijfentwintig jaar terugkwam.

Dat was mijn speeltuin. Mijn werkplek. Mijn jeugd. Nog dezelfde nacht ben ik teruggegaan om hem op te graven. Het bleek inderdaad een mens te zijn. Een jongetje, aan zijn botten te zien. Een jaar of twaalf.

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: