Spring naar inhoud

Presentatie Kutgitaar #3

februari 18, 2012

Halt! Graag uw aandacht voor de presentatie van alweer het derde nummer van de Kutgitaar. Dit keer in Amsterdam nog wel. De line-up is zoals gewoonlijk niet bekend tot vijf minuten voor aanvang, maar we kunnen al wel verklappen dat er een lasershow is. (No shit, er is ECHT een lasershow).

En natuurlijk gelegenheid om de Kutgitaar te kopen en de redacteuren een biertje aan te bieden.

Zodat jullie het goed kunnen lezen, in grote letters:

Dinsdag 28 februari, 20.30 uur.
DE NIEUWE ANITA
Frederik Hendrikstraat 111 Amsterdam

Kutgitaar #2: Henk van Straten

februari 24, 2012

DE TOORN RICHARDS (een poging uit juli 2008)

Richard is wit en klam. Richard ziet er uit alsof hij zowel een vitamine, als een ijzertekort heeft, wat uiteraard ook zo is. Richard draagt een te klein leren jack, heeft halflang, dood, krullend haar, en gaten in z’n spijkerbroek. Niet die trendy soort gaten, maar de authentieke, armoedige soort. Richard slaapt op de vloer van een gekraakt pand. Richard is bijna veertig. Minstens vijftien jaar ouder dan de rest van ons. Richard is dronken. Maar niet heel erg dronken, want dat laat uiteraard de speed niet toe.
‘Gast,’ zegt hij en gooit een halve liter bier mijn kant op. ‘Vang effe.’
Ik zit op een oude bank, backstage, en voel m’n oogleden zwaar worden. Het blik stuitert tegen de bank en valt op de grond. Ik had m’n handen nog niet eens bewogen. Die tweede Xanax-pil had ik misschien niet moeten nemen. Vermoeid pak ik het blik bier van de grond en trek het open. Na de bierfontein, die ik ongeïnteresseerd over m’n shirt laat sproeien, schep ik er met een sleutel nog een beetje speed in. Ik bedoel, hier wil je niet in slaap vallen. Je wéét gewoon dat ze dan je schaamhaar afscheren en in je mond stoppen. Als je geluk hebt.
Richard is de oude en lelijke bassist van onze band, Skullfucker. Veel lelijker dan hij komen ze niet. Onappetijtelijk is wellicht een beter woord. Het is alsof iemand ’m net uit z’n graf heeft getild en vervolgens een kwartiertje in het frituurvet heeft laten hangen. En toch krijgt hij vrouwen het bed in. Meisjes. Jonge meisjes. Meisjes van achttien, twintig. Als hij met ze praat dan zie je de gevorkte tong haast tussen zijn lippen flitsen. Ik vind het niet erg. Hij manipuleert ze niet alleen voor zijn eigen genot, maar ook voor dat van de rest van de band. Mij hoor je niet klagen, of tenminste niet daarover.
De vraag is: hoe ver moet je gaan voordat je te ver gaat?
‘We moeten zo spelen,’ zegt Barry klaaglijk terwijl hij de deur achter zich dicht trekt. Het geluid van de zoveelste amateurband op het podium gedempt en aanvaardbaar. Barry is onze drummer.
‘Er is geen hond daarbinnen,’ zegt hij. Hij vraagt: ‘Is er nog speed?’
‘Nee man,’ zegt Richard, en haalt zijn neus op. ‘Helemaal niks meer gewoon.’
‘Fuk,’ zegt Barry, en verdwijnt weer.
‘We spelen gewoon niet,’ zegt Richard en snuift meer speed z’n half weggeteerde neus in. ‘We hebben nog geen contract getekend, dus wat zou het?’
Ik kijk hem aan en blijf hem aankijken en blijf hem aankijken tot zijn hoofd geheel abstract is geworden en zeg: ‘Gast.’

Kutgitaar #2: Jop Luberti

februari 23, 2012

Kutgitaar #2: Willem Claassen

februari 22, 2012

DE OPLEIDING

Die zaterdag meldde ik me bij het postcentrum. Een jongen met strak achterover gekamd haar en een oorbel kwam naar me toe. Hij gaf me een hand.
‘Richard. Ik geef je vandaag en volgende week opleiding.’
Een opleiding. Daar had ik niet aan gedacht. Ik had verwacht dat ik gewoon een wijk kreeg toegewezen en dat ze me een stapel post zouden overhandigen.
Richard keek ernstig. Hij vroeg naar de maat van mijn trui.
‘Ben zo terug.’
Even later kwam hij aan gelopen met een jas en een trui in de kleuren van het postbedrijf.
‘Volgende week krijg je ook een broek.’
Richard schreef op een briefje een aantal straatnamen onder elkaar. Het duurde even. Hij hield de pen op een rare manier vast. Soms schoot hij uit.
‘Dit is de snelste route, in deze volgorde.’
Hij liet zijn vinger langs het papier glijden. Nog steeds die ernstige blik. Toen gaf hij het briefje aan mij.
‘Oké. Dan kunnen we beginnen.’
De bundels met post lagen op tafel. We stopten ze in twee fietstassen.
‘Beide kanten van de tas moeten even vol,’ zei Richard. ‘Anders val je bij de eerste bocht al om.’
Ik moest een volle fietstas over de bagagedrager leggen. Dat viel even tegen, maar Richard hielp mee. De andere tas legde hij in één beweging op zijn fiets.
‘Normaal gesproken moet je nog een keer terug naar het postcentrum voor de tweede tas,’ zei hij toen we wegreden.
Het was tien minuten fietsen naar mijn wijk. We stalden onze fietsen tegen een struik aan het begin van een smal straatje. ‘Kijk maar op het papier. Dit is de eerste straat.’
Ik keek naar het kriebelige handschrift en knikte.
‘En dit is een goede plek om je fiets neer te zetten,’ vervolgde hij.
Hij duwde een stapel post in mijn handen.
‘Blader regelmatig door de bundel om te zien of het allemaal voor dezelfde straat is. Het gebeurt wel eens dat er per ongeluk twee straten in een elastiek komen.’
Bij elke straat op de route hield hij stil bij het straatnaambordje en moest ik controleren of het klopte met het briefje. Natuurlijk klopte het.
Steeds vertelde hij dat de plek waar we onze fietsen plaatsten de beste was.
‘Zet je fiets altijd op slot. Ik vertrouw deze wijk niet.’
Op het moment dat ik met een stapel brieven onder mijn arm aan een straat begon, reed hij vooruit om de volgende straat te doen. Telkens was hij al terug als ik pas de helft had gedaan. Hij wachtte met zijn fiets bij mijn fiets.
‘Zorg dat je de post helemaal door de brievenbus duwt. Zodat de brieven niet nat kunnen worden of door iemand er uitgehaald kunnen worden. Je weet nooit.’
Elke keer als ik klaar was met mijn straat, reden we door de straat die hij had gedaan. Hij liet het me controleren op het lijstje.
‘Zie je?’ zei hij. ‘Straks moet je het alleen doen.’
Bij de laatste straat zweeg hij over het briefje. Hij wachtte tot ik het lijstje zelf tevoorschijn haalde. Ik wilde de laatste stapel post al pakken.
‘Je vergeet iets,’ zei hij.

Op de terugweg naar het postcentrum zette Richard er flink de vaart in. Ik kon hem niet bijhouden. Hij moest afremmen.
‘De tassen zijn leeg, dus het mag wel wat harder,’ zei hij toen we naast elkaar fietsten.
Aangekomen bij het postcentrum liet hij zich ontvallen dat het geen slechte wijk was om te lopen.
‘Je hebt niets te klagen.’
Hij haalde de tassen van onze fietsen en legde ze binnen.
‘Je kunt gaan.’

Kutgitaar #2: Babylijk (2)

februari 21, 2012

Kutgitaar #2: Willem Sjoerd van Vliet

februari 20, 2012


Lees verder…

Kutgitaar #2: Gaarder

februari 19, 2012

’T WERKT (1-3): NOTITIES OP KANTOOR

I: betekenis
Ik heb ze laatst een zebrapad zien tekenen
(een echte, voor verkeer, met haaientanden)
in dikke witte verf. In grijze overall en met
een roller aan een stok; een man die magisch
bezig was waar eerst gewoon een stuk beton lag.

Vandaag ben ik er overheen gelopen, over
de rechte witte stroken. Er werd gestopt.

II: concentratie / spanningsboog
Voor zover, zie ik een man in grove groene bloes,
op een metalen soort constructie: een open bakje op
een kraan. Hij zweeft met borstel en een beiteltje
voorlangs een immense, witte baksteenmuur

waarop ik uitkijk. Hij staat te poetsen als een schoonmaakster
die keukentegeltjes poetst. (Heeft hij ‘n sponsje en ‘n doekje?)
Schrobt hij de vogelpoep uit de hoeken van een raamkozijn,
schuurt hij het metselwerk de voegen bij?

Zo lijkt het; hij doet toch iets. Een ontzaglijk witkleurig
blokgebouw, waardoor ik nergens anders meer
op uitkijk. Hoe werkt dat qua begin en eind?

III: ondertussen in de gangen
“Ja: ja. Ja, precies.
Ja— Nee, ja, ja;
precies. Ja, ja. Nee,
ja, ja. Precies. Ja.
Weet je wat het is?

Je moet zo´n kerel gewoon een
onmeunige schoer door de benen geven.

Ja. Ja. Nee. Ja! Precies.”

En de metrolijnen voor het raam.

Kutgitaar #2: Bessel

februari 19, 2012

XXVII

Lieve, ik zou kunnen leven zoals ouders overblijven.
“Is niet dolgelukkig een kaartenspel, met wat zich
tenminste nog gesteende sporen van geliefden wanen,” als chocolade paashazen,

goed bedoeld bestaan, “voorbij gaan.” Maar “liefste
wil ik het anders,” ik weet niet of het een verminken is.
Een glippen, een wachten. Ik weet alleen dat ik ‘s nachts
niet durf te slapen en lichten laat branden omdat
“de beer bij slecht weer jaagt,” en bij lawaai. Eén klap

als de goederentrein dendert, – het schudden toeslaat-
je kent het donker waarmee ik het monster dat woekert voed.
Eet het zwarte beest aan zichzelf dan ken ik jouw vloek,
onze pels is slechts een huid; doorgebeten.

Ik probeer mezelf in een zeehond te veranderen
zo ik naar je toe drijven kan.
Ik douche bijvoorbeeld heel lang.

Kutgitaar #2: I.S. Zwart & Florian Kullberg

februari 18, 2012

PIPO

De klus is geklaard en het geld ligt bij de bank en we moeten het ophalen en deze plek geruisloos verlaten. De man die zichzelf De Humorist noemt – naar een fictief personage met oneindig meer inhoud – zit al de hele ochtend aan tafel sigarettenhuisjes aan elkaar te lijmen. De kamer waar we verblijven is onder een verzonnen naam geboekt. Ik heb geprotesteerd, maar De Clown zei dat ik dat anders moest zien. Als een film.

Als De Komiek een klein Marlboro-dorp heeft, zegt hij dat we gaan. ‘Of ik steek de boel in brand.’ Hij lacht. Ik heb al dagen last van hartkloppingen en het mooie, kleine meisje met de korte, ronde, blonde coupe begint weer over haar definitieve borsten. Vannacht vertelde ze dat haar borsten tijdelijk zijn. De echte krijgt ze als we het geld hebben. Ik weet niet hoe haar te troosten. Haar stem vermoeit me.

We gaan. Als we de lobby verlaten, roept de conciërge ons na- een belachelijk Amerikaanse naam. Onderweg naar de bank die amper 300 meter verderop staat, spreken we af dat ik het geld ophaal. Bij de kassa van de middelgrote bank, neemt De Lolbroek het echter van me over.

Ik ga naast het meisje staan en kijk daarvandaan naar de baliemedewerker die het niet helemaal vertrouwt, maar die het te weinig kan schelen om in te grijpen. We wachten lang. De man vult op zijn gemak zeker vijf formulieren in en stempelt op elk formulier het woord ‘goedgekeurd’. Hij haalt een teleurstellend dunne stapel geld tevoorschijn. Voordat het schuifmechanisme klikt – De Grappenmaker kan pas bij het geld als het mechanisme klikt- stopt de man. Het meisje wiebelt naast me. Ze moet plassen.

De man achter het glas vraagt of we een kluis bij al dat geld willen. Dit vraagt hij droog, ik kan zijn gezichtsuitdrukking niet plaatsen. Hij wacht, zijn hand op het schuifmechanisme. De Hansworst knort en zegt ‘nee.’ Het schuifmechanisme klikt, De Harlekijn pakt de stapel en ik begin alvast te lopen, maar dan hoor ik dat De Potsenmaker stil staat. Als ik me omdraai zie ik hem de stapel likken. Er druipt spuug langs zijn mond. De baliemedewerker zit een kruiswoordpuzzel te maken. Hij kijkt niet op.

De Paljas veegt zijn mond af en loopt naar de uitgang met het wiebelende meisje aan zijn arm. De portier bij de uitgang tikt tegen het glas en gebaart dat we nog langs hem moeten. Hij wijst op een bord: standaardprocedure. De Pias rochelt. Hij loopt traag naar de portier en schuift de stapel langzaam in het schuifmechanisme. De man knikt en doet het geld in een apparaat. Het geld wordt geteld, maar lijkt ook natter te worden. Het bedrag verschijnt op het scherm: 6744 euro. De man opent een la en haalt daar nog 88 cent uit. Hij schuift het geld naar ons terug.

De Cabaretier staat verstijfd voor de portier. Ik pak het geld. Het is nat. Het stinkt. Ik rol het op en steek het tussen mijn borsten.

Kutgitaar #2: Aafke Romeijn

februari 17, 2012

DELETED SCENES FROM KEETJE KWANT, THE NOVEL

Elke vrijdag mag ik theedrinken bij de directeur. De directeur heeft het altijd druk, maar voor mij maakt hij tijd. Om twaalf uur stipt word ik verwacht. Ik mag aan de andere kant van zijn bureau gaan zitten en moet mijn benen over elkaar slaan. Niet te snel – er moet wel iets te zien zijn. De directeur vouwt dan zijn handen achter zijn hoofd en leunt achterover. Als hij tevreden is kijkt hij tevreden, als hij niet tevreden is kijkt hij licht geërgerd of zelfs een beetje afkeurend. ‘Wat is er?’, vraag ik dan, en meestal schudt hij dan snel zijn hoofd. Soms buigt hij zich over zijn bureau en plukt aan de stof van mijn jurkje en bestudeert me dan weer van een afstandje, alsof hij fruit rangschikt op een schaal om er een foto van te maken. Uiteindelijk komt er altijd thee, in twee dampende mokken die voor ons op het bureau worden gezet. Ik mag er niet van drinken, maar dat is niet erg, ik hou toch niet zo van thee. Ik heb liever koffie. Normaal gesproken drinkt de directeur langzaam, slobberend, en kijkt ondertussen onafgebroken naar mij. Vandaag niet. Vandaag laat hij zijn mok staan en zegt: ‘Keetje, ik heb je advies nodig.’
Nog voor ik goed en wel gewend ben aan het idee dat ik zo dadelijk misschien iets mag gaan zeggen is de directeur al opgestaan en naar een ijzeren archiefkast aan de andere kant van de kamer gelopen. Als hij terugkomt houdt hij een plastic tas aan de hengsels voor zich. Het is me niet duidelijk wat zich in de tas bevindt, maar het ziet er zwaar uit. Als de directeur de tas op zijn bureau zet klinkt het alsof iemand op een waterbed neerploft. De tas blijft niet staan. Hij valt om en onmiddellijk drijft er een substantie uit die het midden houdt tussen oversized spaghetti bolognese en props uit een slechte alienfilm. De directeur gaat weer zitten. ‘Ik weet niet wat ik ermee moet’, zucht hij. Ik probeer mijn verbazing te verbergen. De directeur port even met zijn vinger in de smurrie, waarna hij zijn vochtige wijsvinger voor zijn neus houdt. ‘De schedel heb ik schoongekookt en met diamanten beplakt’, zegt hij, ‘dat schijnt geld op te leveren.’ Ik knik. ‘De arm- en beenspieren heb ik in zuur ingelegd, zoals mijn oma dat vroeger deed. De botten en pens heb ik gekookt en de hond gevoerd.’ Weer zucht hij. ‘Misschien moet ik mensen gewoon weer gaan ontslaan, zoals vroeger. Al dat restmateriaal, het is zo fucking onhandig…’ Even zwijg ik, dan doe ik langzaam mijn mond open. ‘Touwtje springen’, zeg ik, nog op bescheiden volume. De directeur fronst zijn wenkbrauwen. ‘Punniken’, zeg ik, ‘nee, vingerhaken. Flossen. Borduren. Vliegvissen.’ Ik haal adem, ik ben steeds luider gaan praten. ‘Of elastieken.’ Nu pas durf ik de directeur recht aan te kijken. Hij heeft zijn handen achter zijn hoofd gevouwen en leunt achterover. Ik heb hem nog nooit zo tevreden zien kijken.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.