Kutgitaar Special!
Oscar woont weer in Nederland. Dus we gaan weer door met de Kutgitaar. Te beginnen met een heuse Kutgitaar Special.
Zaterdag 29 juni presenteert Oggy Records het album ‘Music for Imaginairy Videogames’, een verzameling tracks gemaakt door tien verschillende producers en groepen die allen een nummer maakten geïnspireerd op het idee muziek bij een denkbeeldig videospel.
Het album wordt gepresenteerd in samenwerking met Collectief Derde Wal en Literair Magazine Kutgitaar. Collectief Derde Wal nodigt een groep beeldend kunstenaars uit om samen een tentoonstelling te maken met werk geïnspireerd op de muziek. Kutgitaar vraagt op haar beurt drie schrijvers om te reageren op de werken van de tentoonstelling. De presentatie van het album, de tentoonstelling en de teksten van de schrijvers vormen het programma van de middag en avond die op zaterdag 29 juni in de Derde Wal wordt georganiseerd.
Zaterdag 29 juni
Derde Walstraat 111 Nijmegen
start: 16.00u einde: 23.00u
Kutgitaar #5: Chris van Meulebroeck
Tijs schrijft een gedichtje over God
Tijs zat achter zijn bureau van plexiglas in zijn recentelijk verbouwde werkkamer. Sinds de EO een vernieuwingsslag heeft doorgevoerd en er à la BNN shock-tv met een religieus vleugje moraliteit wordt gemaakt mag dit volgens het bestuur ook afstralen op het personeel. Frisse kapsels, diverse soorten piramidethee met smaakjes bij de Nespressomachine en LED-verlichting in afwijkende kleuren in de gangpaden. Aldus zat Tijs verkrampt op een Jan des Bouvrie stoel waar menig toekomstig aambei zijn of haar ontstaan aan te danken zou hebben.
Tijs concentreerde zich weer en zette de eerste zin op het papier.
Tring… Tring… daar gaat de telefoon van God.
Als het goed is weet hij dat ik het ben.
Grote fan van God, dat ben ik: ik draag zelfs t-shirts van hem.
Tijs aarzelt even en haalt dan zijn pen van het papier. Hij kijkt naar de telefoon op zijn bureau. Hij denkt na en kijkt moeilijk. Wat voor een telefoon zou God eigenlijk hebben?
(Als Tijs moeilijk kijkt lijkt het overigens alsof hij gewoon normaal kijkt, zonder dieperliggende emotie. Met dezelfde blik als die hij heeft wanneer hij zijn boodschappen afrekent bij de C1000. Knakworstjes, vier blikjes tomatenpuree, een kratje Bavaria en de vuilniszakken die hij ook nu weer schijnt te vergeten)
Na enig research gedaan te hebben op internet besluit Tijs dat God een Samsung Galaxy S zal moeten hebben. God gaat immers met zijn tijd mee want God is de uitvinder van de tijd, hoewel hij niks moet hebben van al die apps. Daarbij let God op zijn centjes en in combinatie met een prepaidkaartje van Vodafone bleek dit volgens Tijs toch echt de meest voordelige keuze te zijn.
Tijs vervolgt:
God neemt niet op.
Zou God een hekel aan mij hebben?
Tijs twijfelt of hij voor de sterkere variant moet gaan en ‘een hekel hebben aan’ zou moeten vervangen door het minder suggestieve ‘haten’.
Hij kiest voor dat laatste, temeer omdat dat rijmtechnisch beter aansluit op wat hij daarna op papier wil zetten.
God neemt niet op.
Zou God mij haten?
Ik weet dat hij thuis is,
Want zijn fiets staat nog buiten.
Ik sta in zijn straat, de merels fluiten.
De telefoon op Tijs’ bureau maakt geluid. Het teken voor Tijs om op te nemen.
Het is Andries die nog wat wil weten over de gasten van de uitzending later op de avond.
‘Walnoten in ieder geval niet, we kunnen op safe spelen en gewoon voor gezouten pinda’s gaan’, zegt Tijs.
….
‘Geef jij dat dan door aan Peter of zal ik het doen?’
….
‘Nee, Peter van de facilitaire dienst, niet de geluidstechnicus.’
…
‘Oké, komt in orde. Tot straks.’
‘Kut René Mioch!’, denkt Tijs en legt de hoorn weer op de haak.
Hij staat op en loopt naar het raam van zijn kantoor. Zijn blik dwaalt over de straat en hij roert bedachtzaam met het plastic lepeltje door zijn lauw geworden Cup-a-soup. Hij ziet een vrouw met een Lidl boodschappentas met een man in een scootmobiel praten. De man heeft een beige tuinbroek aan en zet de discussie kracht bij door woest met zijn armen te gesticuleren.
‘Is Jezus thuis?’ denk ik hardop.
Ja, Jezus neemt wel op.
‘Waar is God?’ vraag ik.
God is even bloedprikken in het ziekenhuis.
Tijs loopt terug naar zijn bureau, neemt plaats in de Jan des Bouvrie stoel en schrijft de zinnen op die zojuist door zijn hoofd schoten.
Buiten geeft de man in de scootmobiel de vrouw met de plastic tas inmiddels een paar rake klappen. Een politieman is snel terplekke en probeert de ruzie te sussen.
Een SUV claxonneert, een fietser stopt en maakt een foto met zijn Samsung Galaxy S. Het verkeer op de Oude Amersfoortseweg staat even stil om later weer op gang te komen, op tijd voor de warme maaltijd en het zes uur journaal.
Vier verdiepingen boven hen wordt Tijs langzaam week van binnen. Vervuld van de warme gloed van het geloof: het geloof dat hij iets onvergetelijks aan het schrijven is.
Kutgitaar #5 is uit!
Gisteravond presenteerden we in een volle Onderbroek (haha) de nieuwste Kutgitaar! Toen de presentatie voorbij was, ging het brandalarm af. We leven nog. U kunt de kutgitaar dus ook weer bestellen:
Met bijdragen van Chris van Meulebrouck, Maartje Wortel, Brenda Bosma, Frits Prisse, Oscar Wyers, Jan Willem Sterenborg, Dennis Gaens, Elske van Lonkhuyzen, Johan Roos, Toni van Tiel, Martijn Brugman, Daan Doesborgh, Iris Deppe, Vincent Zegveld en Marc van der Holst.
Op de voorkant staat een panda. In het zakje zit een stuk zoethout.
Presentatie Kutgitaar #5
Jazeker, nummer 5. In de Etalage, waar het allemaal begonnen is.
Kutgitaar #3: Dennis Gaens (3)
Kutgitaar #3: I.S. Zwart
En weer
Je zit met opgetrokken knieën en gebogen hoofd op een stoel in het licht van een bureaulamp. Je vingers trillen. Je rookt. Een grote, brede, gezette man wil antwoord op een vraag die je niet hebt kunnen horen. Dit is een ondervraging. Na een lange stilte geef je antwoord.
‘Nee’.
De man stormt weg, slaat onderweg al wat hij tegenkomt stuk en gooit tenslotte de voordeur achter zich dicht.
Het geluid van de dichtgesmeten deur blijft zich te lang herhalen om nog iets te maken te hebben met wat er zojuist gebeurd is. Je denkt aan oorzaak en gevolg, bedenkt dat het zich herhalende geluid misschien een aankondiging is. Je wacht, maar er gebeurt niets. Je steekt een sigaret op. Je rookt, diep inhalerend, je ogen dicht. Als je je ogen opent is het donker. Je probeert de bureaulamp aan te klikken. Dat lukt niet. Je gaat op de bank liggen.
Als je wakker wordt is de lamp weer aan. Je hoort het geluid van een druppende kraan. Je ligt op je rug. Het plafond trekt je aandacht. Het is gedeeltelijk verkleurd. Je zet een bril op om het beter te zien. Je ziet stukjes van het plafond naar beneden vallen.
Je staat op, ontdekt zoekend naar een sigaret steeds meer afwijkingen in de kamer. Je steekt een gevonden sigaret op aan het vlammetje van de geiser boven de druppende kraan. Je draait de kraan dicht, loopt naar het raam, trekt de gordijnen open. In plaats van het raam is daar nu een aaneenschakeling van deuren. Onder de meest linkse deur komt een rode draad door. Je trekt aan de draad die eerst meegeeft, maar dan blijft hangen. Je probeert de deur te begrijpen. De eerste keer dat je de deur zag leek het van hout, nee, beton, nee, je twijfelt aan je waarneming en de deur is nu van marmer.
Je doet de deur open.
Achter de deur bevindt zich een trap. Op de trap ligt rode draad die naar boven leidt, naar een andere deur. Je klimt de trap op. De deur beneden sluit zich achter je. Je loopt terug, probeert de deur weer open te krijgen, maar deze is nu op slot.
Je klimt weer de trap op. De deur boven staat op een kier en als je deze verder open duwt, kom je in een kamer die bijna identiek is aan de vorige kamer, maar de spullen die eerder stuk waren zijn verdwenen en alles is er grijs. Op de stoel waar jij eerder zat, zit nu de grote, brede, gezette man. Het licht van de bureaulamp schijnt op hem, maar zijn gezicht is niet te zien. Hij stelt de vraag die je eerder niet hoorde:
‘ Nu?’
De kraan drupt weer. Je zwijgt. De man herhaalt de vraag. Je antwoordt.
‘Misschien’.
De man slaat met de stoel tegen de muur tot zijn vingers bloeden en er een hoopje hout voor je voeten ligt. Dan stormt hij weg. De voordeur valt achter hem dicht. Hard. Er dwarrelen stukjes verf van het plafond naar beneden alsof het sneeuwt. Het plafond is nu geheel verkleurd en grote delen van de muren ook. Het geluid van de deur die dichtviel herhaalt zich. Weer. En weer.
Je loopt naar wat eerst de voordeur was: op slot. Het geluid van de druppende kraan en de deur die werd dichtgesmeten echoën terwijl je de gordijnen opentrekt en weer een lange rij met deuren treft. De meest rechtse deur staat nu op een kier. Onder die deur weer de rode draad.
Je loopt naar de geiser met een sigaret. Het vlammetje in de geiser is uit. In het keukenkastje vind je lucifers. Je slaat de resterende spullen in de ruimte stuk, sleept alles naar het midden van de ruimte. Je maakt een hoop. Je steekt de hoop in brand. Je loopt weg van de oplaaiende vlammen naar de deur die op een kier stond, pakt de draad op, klimt de trap op, komt weer in een bijna identieke versie van de vorige kamer. De kamer is nu rood. En leeg. In het midden van de kamer staat weer de grote, brede, gezette man met een kluwen rode draad in zijn handen.
Kutgitaar #3: Willem Claassen
Vriend
Het was niet zozeer dat ik vrienden met hem wilde worden omdat hij aardig was. Hij was vooral interessant, denk ik. Of beter gezegd: ik vond hem interessant.
Het was in groep zes van de basisschool. Hij was nieuw in de klas en meteen populair. Ik weet niet wat het is, maar die heb je er bij. Altijd stonden er kinderen om hem heen. Hij was een leiderstype. Hij bepaalde wat leuk was en wat niet, en scheen daar ogenschijnlijk weinig moeite voor hoeven te doen. Hoe minder hij zei, hoe meer gewicht zijn woorden kregen.
Net als velen probeerde ik in zijn gunst te komen. Ik maakte grapjes, speelde de malloot, vaak ten koste van mezelf, in de hoop dat hij er om zou lachen. Ik wilde dat hij me als een gelijke zag, als een vriend. Maar hoe meer ik mijn best deed, hoe verder ik van mijn doel afdreef. Ik zag het gebeuren, hoe hij kort grinnikte om mijn grappen, schamper bijna, alsof de manier waarop ik het deed de grap was, en dan zichtbaar verveeld over iets anders begon. Ik kon er weinig aan doen. Ik had geen alternatieven. Het was de malloot of het was niets, zwijgen, onzichtbaar zijn.
Ik greep in. Een soort van laatste, wanhopige poging. We stonden in de gang voor het handvaardigheidslokaal. We moesten wachten tot de deur openging. Ik weet niet waarom we daar stonden te wachten, we hadden nog buiten kunnen spelen, maar we stonden daar. Er waren twee andere jongens bij en uit het niets sprak ik hem aan.
‘Zullen we vrienden worden?’
Hij keek me aan. Het was even stil. De jongens keken naar mij, toen naar hem en toen weer naar mij. Ik had vrolijk geklonken, alsof er een grap ging komen, maar ik meende het. En dat moest toch te horen zijn geweest. Of misschien te zien, een vragend gezicht verraadt veel.
Hij grijnsde. Ik weet niet of het echt onvriendelijk was. Op dat moment kwam het niet zo op me over, maar achteraf zou je dat lachje best als behoorlijk gemeen kunnen beschouwen.
‘Vrienden?’ vroeg hij.
Ik knikte en wachtte af. Hoe kwetsbaar kun je jezelf opstellen?
‘Dat kost een tientje,’ zei hij.
Hij keek naar de andere jongens, glimlachend, toen weer naar mij.
‘Dat is goed,’ zei ik. ‘Ik zorg ervoor.’
Ik liep weg. Ik kon daar niet langer blijven staan. Mijn vraag had me uitgeput. De rest van de dag bleef ik uit zijn buurt en probeerde aan andere dingen te denken. Maar ik was er nog altijd van overtuigd dat het goed zou komen, dat we misschien wel beste vrienden zouden worden.
De volgende dag had ik het tientje – zakgeld van zoveel weken helpen op de boerderij – los in mijn broekzak zitten. Tijdens de les controleerde ik om de paar minuten of het er nog zat. De bel ging voor het speelkwartier. Op het schoolplein leunde hij tegen een muur aan. Er stonden twee meisjes en een jongen bij hem. Ik stond een eind verderop bij de zandbak en draaide mijn rug naar hem toe. Ik viste het briefje van tien uit mijn broekzak en keek nog een keer of het wel klopte. Misschien had ik me vergist en stond ik daar met een heel ander biljet. Maar het was een blauw briefje, tien gulden.
Ik liep naar hem toe en ging bij het groepje staan. Een van de meisjes sprak over de meester van vorig jaar aan wie ze een hekel had. Ik luisterde mee. Toen er even niets gezegd werd, zocht ik het tientje in mijn broekzak. Dat ging niet soepel. Het briefje bleef steken. Het viel op, ze keken naar de broekzak waar mijn hand in was verdwenen.
‘Ik heb het geld bij me,’ zei ik, maar ik had het biljet nog steeds niet te pakken.
‘Mooi,’ zei hij en glimlachte.
De jongen die naast hem stond wilde net iets gaan zeggen toen ik het geld tevoorschijn haalde.
‘Zijn we nu vrienden?’ vroeg ik.
Hij nam het tientje aan.
‘Ja hoor.’
Ik begon snel een verhaal te vertellen, een grap. Hij luisterde en daarom luisterden de anderen ook. Op het eind lachte hij. Toen vroeg hij iets aan de jongen. Het had er niets mee te maken. Ik stond erbij, maar daar was alles mee gezegd. De bel ging. Het speelkwartier was voorbij.
Hij heeft niet lang in mijn klas gezeten. Hooguit een jaar, maar ik denk korter. Hij moest verhuizen omdat zijn vader een andere baan had. Ik heb hem nooit meer gezien. Ik weet niet meer hoe hij heet. Ik herinner me alleen zijn gezicht nog een beetje. En dat hij blond haar had. Al kan dat ook lichtbruin zijn geweest.







